Historie

De beschrijving is voornamelijk gericht op het zuidelijk deel van de buitenplaats. Door vererving heeft zich in 1953 een splitsing voorgedaan in een noordelijk deel en een zuidelijk deel, waardoor het weliswaar geografisch een geheel is gebleven, maar door verschillende eigenaren wordt beheerd.
De historie van de buitenplaats Duindigt zal chronologisch per eeuw worden behandeld beginnende in de 16de eeuw. Vanaf de negentiende eeuw zal de historie per perceel behandeld worden. In 1822 verschijnt de eerste kadastrale kaart van dit gebied waardoor behandeling per perceel mogelijk wordt.

Twintigste eeuw

In 1902 erft Walter Jochems Duindigt. Hij en zijn vrouw Josephine Hélène Auguste Horstmann waren de eersten die permanent op de buitenplaats gingen wonen, alhoewel ze een huis aan de Korte Vijverberg 4 te Den Haag aanhielden voor de winter. zie www.steenkrabbels.nl/korte-vijver berg-4/
De gehele buitenplaats onderging een grote verandering. De oude witte villa werd in 1931 gesloopt en vervangen door een groter huis. De gracht werd gedeeltelijk gedempt, zodat er geen brug meer nodig was om bij het huis te komen. Er werd een groot voorplein gecreëerd met een door een bloemenperk omringde zonnewijzer in het midden. Hiervoor werden broeikassen en een boomgaard die zich daar bevonden, opgeruimd. Het huis werd omringd door oude bomen. Er werden sier-eenden gehouden, die in de “eendensloot” – een gedeelte van de oude gracht – zwommen. Er werd een hertenkamp gemaakt met stalgebouwen. Hier en daar werden nieuwe bomen geplant en er kwamen Lakenvelders in het weiland voor het huis.

Er werd iets later ook een grote garage gebouwd, de heer Jochems was een fanatiek autorijder. De bijgebouwen die eerst naast het huis stonden, zoals het koetshuis en de stallen, liet hij slopen.
Rond 1920 liet mevrouw Jochems-Horstmann, geïnspireerd door haar afkomst uit Baden Baden te Duitsland en haar liefde voor de Alpen door de firma Moerkoert uit Bilthoven een rotstuin aanleggen in het bos achter het huis. Deze is nog steeds in tact, zij het dat de beplanting en de watervallen veranderd zijn. De rots- en vijverpartijen en de opgaande bomen zijn nog aanwezig. De firma Moerkoert was in die tijd ene befaamd bedrijf, dat zich had gespecialiseerd in het aanleggen van rots- en vijverpartijen.

Omstreeks 1926 is de Hofstee (de oude boerderij) verbouwd. De drie losstaande gebouwen werden gesloopt en vervangen door één groot gebouw. Op luchtfoto’s van 1926 is het resultaat van de verbouwing te zien.
De Hofstee had een formele tuin, gestructureerd door compartimenten en gedeeltelijk ommuurd. Een gedeelte was als moestuin in gebruik, de rest van de compartimenten was met borderplanten, rozen en gras ingevuld. Aan de zuidoostzijde stonden twee grote paardenkastanjes (Aesculus hippocastanum “baumanii”), die al geplant waren bij de oude Hofstee. Ook de hooiberg was blijven staan.
De Boerenlaan liep oorspronkelijk rechtuit, langs de Hofstee. In verband met de bouw van een garage in het tracé van de Boerenlaan werd deze laan om de garage heen gelegd.
In 1942 heeft mevrouw Burgerhout-Jochems, die sinds haar huwelijk met de heer H.A. Burgerhout de Hofstee bewoonde, via de firma Tubbergen de tuinarchitect Roeters van Lennep opdracht gegeven de tuin opnieuw te ontwerpen. Er werden minder compartimenten gemaakt en tuinmuurtjes met niveauverschil gecreëerd.
Aan de noordzijde van de Hofstee stond, gedeeltelijk in het bos, een door Walter Jochems gebouwde pluimveefokkerij met een twintigtal ruime hokken die vele siervogels bevatten. Verzorger was pluimgraaf Van der Does, die in de nabijheid van de Hofstee een eigen personeelswoning had.

Tweede Wereldoorlog

Door de zware bombardementen aan het einde van de Tweede Wereldoorlog is er vrijwel niets van de buitenplaats overgebleven. De oprijlaan inclusief de portierswoning, oranjerie, appelschuur en personeelswoning werden alle verwoest. Het grote witte huis werd met de grond gelijk gemaakt en ook de Hofstee kreeg een voltreffer. Alhoewel de laatste niet totaal verwoest werd, is toch tot afbraak overgegaan. De fundering van het huis, en de tuin zijn nog aanwezig.

Op de plaats van het verwoeste huis werd in 1954 een nieuw huis gebouwd naar ontwerp van de architect A.M. de Rouville de Meux te Den Haag, in opdracht van de heer en mevrouw H.A. Burgerhout. Op een paar kleine verbouwingen na is dit huis hetzelfde gebleven. Dit is het huidige Duindigt 3. De grote bomen en de wandelpaden om het huis, door de oorlog verwoest, zijn vervangen door een groot gazon. Het sterrenbos is in oude glorie teruggebracht, de ommuring van de moestuin werd hersteld en in 1954 werden langs de nieuwe oprijlaan groene beuken geplant (Fagus sylvatica).
De oranjerie, de portierswoning en de Hofstee zijn nog niet herbouwd. Tot dusverre wordt hiervoor geen bouwvergunning verleend. De appelschuur is gerestaureerd en als woning heringedeeld. Dit is het huidige Duindigt 2.

Negentiende eeuw

Reeds in 1804 verkocht IJsbrandt de Kock de buitenplaats aan Adriaan Josephus van Berkel. Van Berkel is zeer kort eigenaar geweest van de buitenplaats, in 1809 verkocht hij Duindigt aan Henricus Ludovicus van Tomputte Azn. Toen Tomputtes tweede vrouw overleed, verkocht hij Duindigt in 1822 aan Mr Joachim Jochems, dezelfde als van wie zoëven sprake was. Jochems was eigenaar en bewoner van het aan de overzijde van de Leidsestraatweg gelegen Reigersbergen. Het enige wat volgens de beschrijving bij verkoop is veranderd, zijn de gestucte muren en een nieuw behang.
In 1822 verschijnt de eerste kadastrale kaart van dit gebied. Uit deze kaart valt duidelijk af te lezen wat de opbouw was van deze buitenplaats. De drie gebouwen die op alle kaarten vanaf 1714 zijn te zien, komen weer terug op deze kaart. Het gebouw aan de linkerkant is in 1822 de oranjerie, het gebouw in het midden is het huis Duindigt. Aan de rechterzijde staat de hofstede.

Volgens de kadastrale gegevens hebben alle eigenaren hun eigen inbreng gehad en hebben zij veel bouwwerken verbouwd en gebouwd. Er waren grote moestuinen met broeikassen, een hooiberg en veel hakhoutbos (productiebos), en een boerderij met stallen. De functie van de buitenplaats was waarschijnlijk onveranderd gebleven, tot dan toe had geen enkele eigenaar permanent op Duindigt gewoond.
De ingang van de buitenplaats bevond zich, zoals heden, aan de Waalsdorperlaan. Door middel van een bruggetje over de “Vaarsloot” betrad men de buitenplaats. Direct ter linkerzijde stond een portierswoning, rechts bevond zich een boomgaard die onderdeel van de moestuin uitmaakte en die nog steeds gedeeltelijk aanwezig is. Deze boomgaard liep langs de gehele zijde van de moestuin. De moestuin zelf was verdeeld in boomgaarden, hakhoutbos, tuin, broeikassen en er stond een schuur. Langs de oprijlaan bevonden zich aan dezelfde zijde als de portierswoning nog twee gebouwen, namelijk de oranjerie met tuin in Franse stijl aangelegd en een hooiberg. Achter de oranjerie lag het al eerder genoemde sterrenbos met een siervijver.

De percelen bos langs de wandelpaden waren gereserveerd voor productie- en hakhoutbos. Om de villa met bijgebouwen was een gracht gegraven. Rondom het huis bevonden zich stallen, een koetshuis, een personeelswoning met erf, verscheidene schuren en een siertuin.
Daarachter lag een groot weiland, hierin lag aan de Leidsestraatweg nog een huis. De functie van deze woning is in 1822 onbekend; men heeft gedacht aan de mogelijkheid dat het huis oorspronkelijk de functie had van portierswoning, maar daarvan is geen bewijs gevonden.
Cruquius geeft op zijn kaart aan dat de toegang tot de buitenplaats zich tussen de hofstede en het hoofdgebouw bevond. De portierswoning lag echter niet aan deze toegangsweg, maar recht tegenover het hoofdgebouw.

Achter het huis bevond zich een boomgaard en een groot bos met wandelpaden, welke reeds waren aangelegd rond 1750. Het gebied tot aan de duinen werd hoofdzakelijk voor begrazing gebruikt. Op de “Nieuwe kaart van ‘s-Gravenhage met de omliggende Dorpen en Buitenplaatsen” van S.W. Noordaa (1839) is duidelijk af te lezen waar deze scheiding tussen bos en weiland lag.

Naast het huis ofwel de villa Duindigt lag de reeds eerder genoemde hofstede, de boerderij De Hofstee. Om deze te bereiken, moest men nogmaals door middel van een bruggetje het water over. De kaart van S.W. Noordaa geeft aan dat er naast de Hofstee een akker lag; er was een vinkenbaan met vinkenhuisje en een koepel met een waterpartij, net als in de beschrijving van de buitenplaats bij de verkoop in 1797.
In 1877 wordt het gebied opnieuw opgemeten. Waarschijnlijk hebben zich in de periode tussen 1839 en 1877 geen wijzigingen voorgedaan. De kleinkinderen van Mr Joachim Jochems zijn dan de eigenaren van Duindigt.

Zij lieten wijzigingen aanbrengen in de moestuin, er was behoefte aan andere groenten en vruchten. Er werden kassen bijgebouwd en de hooiberg werd afgebroken. Voor de uitbreiding van de broeikassen moest een gedeelte van de boomgaard achter de villa wijken.
In 1881 werd de portierswoning aan de Waalsdorperlaan vervangen. De oude werd in haar geheel gesloopt. De nieuwe werd een kwartslag gedraaid en haaks op het pad gezet. De moestuin onderging ook een metamorfose. Eerst was de moestuin opgedeeld in boomgaarden, tuinen en hakhoutbos. Er kwam één grote moestuin voor in de plaats, naar Victoriaans model, met éénruiters en broeibedden. De tuin werd in zijn geheel ommuurd; tegen de muren werden peren en morellen geleid. Het hakhoutbos verdween, en voor de boomgaard die langs het pad liep, kwamen een aantal broeikassen en een tuin in de plaats. De broeikassen die een aantal jaren daarvoor waren geplaatst, waren kennelijk niet meer voldoende.

In 1884 werd achter de nieuwe portierswoning een schuur bijgeplaatst.
Joachim Jochems, de kleinzoon van Mr Joachim Jochems, is in 1893 alleen eigenaar van Duindigt. Hij liet de personeelswoning vervangen door een nieuwe, gesitueerd iets verder weg van het hoofdgebouw, namelijk links langs de oprijlaan voorbij de oranjerie, uit het zicht van zijn huis. De woning werd gebouwd in een Nederlandse neo-barokke stijl: in rode baksteen met witte geledingen en met twee oculi in de daklijst (Duindigt 1a). De villa bleef staan, deze is het witte landhuis zoals op een foto uit 1903 te zien is.

Achttiende eeuw

Op de kaart van de gebroeders Cruquius uit 1714 in opdracht van het Hoogheemraadschap Delfland wordt Duindigt voor het eerst aangegeven als zijnde een lusthof. Deze kaart van Cruquius kan worden beschouwd als zeer betrouwbaar vanwege de eisen, waaraan deze kaart moest voldoen, namelijk dat “ieder ingelande te allen tijde als met een opslag van een oog” zijn eigendom kon terugvinden. In die tijd was een dergelijke gedachte zeer revolutionair. De kleine schaal, waarop de gebroeders deze kaart hadden geproduceerd, was ook zeer vernieuwend.

De drie gebouwen die aangegeven zijn op de kaarten uit het midden van de zeventiende eeuw, zijn nu omringd door een duidelijke formele tuinaanleg. Waarschijnlijk is een groot deel door Rochier van den Honert aangelegd. De laatste druk van de kaart van Rijnland van Jan Janszn Dou (3e druk door Melchior Bolstra) uit 1746 komt vreemd genoeg niet overeen met deze aanleg. Deze kaart geeft aan dat er geen veranderingen hebben plaatsgevonden sinds de eerste druk in 1647. De meeste landgoederen uit deze periode zijn echter niet gedetailleerd op deze kaart weergegeven. Dat zal dan ook niet het doel zijn geweest van deze kaart. Waarschijnlijk diende deze kaart als overzicht van het gebied van Hoogheemraadschap Rijnland.

De tuinaanleg zoals die op de kaart van Cruquius te zien is, wordt niet beschouwd als revolutionair. De aanleg van een tuin in compartimenten was in die tijd gemeengoed. Het grootste deel van de tuin van Duindigt bestond wel uit compartimenten, maar dan met voornamelijk bosaanplanting en geen planten.
In 1737 komt op een of andere manier de buitenplaats in handen van Mr Willem Hendrik van Cattenburch, gehuwd met Johanna des Tombes. In 1748 verkoopt zij, dan weduwe, de buitenplaats aan Mr Jan Abrahamszn Thilenus.

Thilenus heeft door verschillende aankopen het gebied kunnen uitbreiden en de buitenplaats de naam “Duijn Digt” gegeven. Hij legde vijvers en bossen aan en bouwde tevens een menagerie. In welke mate is onbekend. Misschien is hij verantwoordelijk voor de wijziging van de tuin in een romantische aanleg. Dat wil zeggen slingerende paden en vijvers zoals in de Engelse landschapsstijl, die veel toegepast werd voor parken. De tuinaanleg zoals Cruquius die had getekend op zijn kaart uit 1714, verscheen op geen enkele kaart uit de periode na Cruquius. Deze ontwikkeling ziet men ook in de omgeving van Duindigt: de tuinen van Clingendael beschikten na ongeveer 1775 ook over een meer romantische aanleg.
In het bos achter het huis verschenen nu allerlei slingerende wandelpaden. Het sterrenbos bleef daarentegen wel bestaan, daaraan werd blijkbaar erg veel waarde gehecht.

David Janszn Thilenus, zoon van Jan Abrahamszn Thilenus, kreeg Duindigt in 1774 in zijn bezit. In 1797 werd Duindigt verkocht bij openbare verkoop door Mr Jean Jeromie Vaissieur als voogd van de minderjarige kinderen van Mr David Janszn Thilenus.

Duindigt werd in de aankondiging van de openbare verkoop als volgt omschreven:
“De zeer aanzienlijke hofsteede Duyndigt bestaande in een zeer logeable Huisinge voorzien van een aantal Kamers en Commoditeiten, keuken, kelders en verdere offices, zijnde naast dezelve huisinge binnen zeer weinige Jaaren getimmerd zeer ruime appartementen thans in gebruik als Wasch- en Biljartkamer, voort differente ruime Stallingen, Koetshuis en Coepels, Oranjerie, Thuijnmans- en Arbeiders Woningen, gemetseld Vinkehuijs, Menagerie, en Vijvers wel aangelegde Vrugt en Moestuijnen, geselecteeerde Bosschen en beplantingen mitsgaders een Partij Geestlanden”.
De buitenplaats werd gekocht door Mr Joachim Jochems als zijnde lasthebber en notaris van IJsbrandt de Kock.

Zeventiende eeuw

In april 1620 verkocht Adam Aryszn Groen Duindigt aan Heynrich Poths. De nieuwe eigenaar is griffier van het Hof van Holland. Het was usance dat bij de verpachte boerderij een (heren) huis werd gebouwd om de zomer maanden door te brengen. De pachter had de plicht de heer te onderhouden en de pacht werd dan ook meestal in natura voldaan.  Wanneer Poths de gronden weer van de hand doet, is onbekend. Een andere naam duikt op in 1637, toen Mr Andries de Witt overleed en Duindigt naliet aan zijn dochter Johanna, die in datzelfde jaar trouwde met Maarten van Persijn. Hun dochter Anna komt in het bezit van Duindigt in 1666, toen haar vader overleed. In deze periode is Duindigt reeds gegroeid. Op de kaart van Delfland uit het midden van de 20e eeuw met de titel “landen tussen ‘s-Gravenhage en de landscheiding begrensd door de Zeewering, Landscheiding, Veenpolder en ‘s-Gravenhage” staan drie gebouwen op de grond van Duindigt. Dit wordt bevestigd door de kaart van Jan Janszn Dou van het Hoogheemraadschap Rijnland, waarvan de eerste druk uit 1647 deze drie gebouwen ook aangeeft.
Anna van Persijn trouwde met Rochier van den Honert. Hij heeft het land uitgebreid en heeft zijn bezittingen voorzien van aanplantingen, een doolhof, moestuinen en een sterrenbos naar het voorbeeld van zijn schoonvaders buitenplaats Persijn te Wassenaar. In 1685 overleed Rochier van den Honert, zijn zoon Johannes erft dan Duindigt.

Zestiende eeuw

In de zestiende eeuw was ‘s-Gravenhage het centrum van de aristocratie en de handel. Er waren in de omgeving van Wassenaar en ‘s-Gravenhage nog weinig buitenplaatsen. De wegen waren erg slecht begaanbaar. Aannemelijk is dat Duindigt in die tijd een boerderij is geweest, net als de huizen in haar omgeving. De geschiedenis van Duindigt gaat terug van voor 1584 in dat jaar is Constant Pieterzn van Beeck eigenaar er  werd toen melding gemaakt van verkoop van een boerderij op het grondgebied van het thans als Duindigt bekend staande grondgebied, door Constant Pieterzn van den Beeck. Hij verkocht Duindigt aan Adam Aryszn Groen, die tot dan toe huurder was geweest van de boerderij.  Hij bleef 36 jaar eigenaar van Duindigt. Hij verkoopt 4 april 1620 Duindigt aan Heynrich Poths. De nieuwe eigenaar is griffie van het Hof van Holland. Het was usance dat bij de verpachte boerderij een (heren) huis werd gebouwd om de zomer maanden door te brengen. De pachter had de plicht de heer te onderhouden en de pacht werd dan ook meestal in natura voldaan.